Een Travellerspoint reis blog

Hebron

Na een korte stilte in blogland, weer een berichtje van mij. Allereerst omdat ik helemaal terug moet komen op mijn eerdere conclusie dat Ramallah wel interessant is, maar dan hooguit voor twee maanden. Nu de eerste anderhalve maand erop zitten en het einde van mijn verblijf met rasse schreden nadert, blijkt Ramallah leuker dan ik ook had kunnen bedenken. En dan niet zozeer de stad als wel de mensen die ik hier ben tegengekomen (en toegegeven, die je de hele tijd blijft tegenkomen, omdat de stad (waarmee ze hier het stadscentrum bedoelen) zo klein is, waardoor het toch ook wel weer een beetje aan de stad ligt). Hoewel het af en toe een beetje zuur is om een huis te delen met twee stelletjes (Joe en Sirine ‘kennen’ jullie al, maar nu wonen ook Wafa – mijn Palestijnse collega die zo gek als een deur is – en Julian – haar Duitse vriend – hier) is het tegelijkertijd gezelliger dan ooit. Dan komt ook omdat het ondertussen zo koud is dat we met ons sneue gaskacheltje ons enorme appartement niet warm krijgen en we ons daarom maar in de keuken verschanst hebben. Die keuken is niet bijzonder groot – al helemaal niet met de bank die we erin hebben gewurmt – maar nu dus wel heel warm en knus en vaak het toneel van hilarische situaties. Zoals Wafa die al Cat Stevens’ playbackend kerstkoekjes staat te bakken op een stoel (ze is erg klein en dat is een issue). Of Sirine die met haar tamboerijn demonstratieritmes oefent. Of Wafa en Julian die van kleding hebben gewisseld (wat nog grappiger is als je weet dat Wafa niet alleen erg klein is, maar Julian vooral enorm lang). Of ellenlange discussies over plastische chirurgie en het nut dan wel gevaar van legers en gevangenissen. Ik voel me wel thuis hier.

Wat ook helpt is dat Ramallah het feestbeest in me wakker heeft gemaakt. De gasten van mijn werk weten elke donderdagavond wel een ander feestje te vinden. Het begon in Zan, een ietwat foute (de Hermes Houseband werd niet geschuwd), maar daardoor erg leuke, disco waar ik ook Ylva tegenkwam (oud MAgenote). Het niveau van de avond werd wel duidelijk toen we werden gecomplimenteerd met onze Arabische danstalenten (hoewel we maar niet zijn ingegaan op het aanbod om op een privéfeestje te komen dansen) en toen ik even later gebeld werd door een vriend of ik hem niet even ‘bij de ingang op kon halen, want zonder vrouwen in zijn escorte werd ie niet binnengelaten.’ Desalniettemin een hilarische avond, vooral toen we op weg naar huis in de auto van een vriendin van Ylva ik precies de weg naar huis wist in dat kleine Ramallah, wat voelde ik me ‘local’. De week daarop was het meer classy in LaVie waar een geweldige live jazzband speelde die mensen de tafels op kreeg (en de dansvloer die pas tot stand kwam nadat diezelfde tafels weg waren gewerkt) en waar ik zo opeens Andrea tegenkwam. In wiens auto we vervolgens naar het GrandPark hotel reden omdat daar een feestje zou zijn. Dat was er ook, maar dan wel privé – een Duits meisje had het geloof ik afgehuurd om haar afscheidsfeestje te geven – waarna al snel duidelijk was dat, in de woorden van Nidal ‘privé erg relatief is als je blonde (Westerse) mensen bij je hebt’. Hoe dan ook was het een doorslaand succes, onder andere omdat ze niet vies waren van wat Franz Ferdinand en rock ’n roll.

Maar, ik heb het al eerder geschreven maar nog nooit zo ondervonden, Ramallah is wel een eilandje. Een eilandje waar je niet zo veel merkt van de echte problemen van veel Palestijnen. Die merk je wel in Hebron, waar Shoruq vandaan komt. Afgelopen zaterdag nam ze ons mee en dat was een behoorlijk heftige gebeurtenis. Het begon al interessant in de taxi waar Jenny en ik ons eerst heel erg irriteerden aan een enorm luid en lang bellende mevrouw. Tot Sirine op een gegeven moment vertelde dat de vrouw belde met een vriend in Gaza die ze probeerde te overtuigen van het feit dat hij moest proberen haar zoon weg te houden van de tunnels in het grensgebied met Gaza – waar Egypte op dit moment een muur schijnt te bouwen en een arrestatiegolf schijnt uit te voeren – omdat ze bang was dat hij (de jongen was dertien) anders opgepakt zou worden door de grenspolitie. En dan zijn de krantenkoppen opeens heel dichtbij.
Eenmaal in Hebron leek de stad eerste instantie in alles op de gemiddelde Arabische stad die ik ben tegengekomen: veel taxi’s, veel falafel, veel mannen, veel schoenenwinkels. Maar toen we de oude stad inliepen, onderging het een metamorfose. Het begon met een overdekking van gaas en zeil over de souq. Toen ik vroeg waar dat voor was, werd me bijna tussen neus en lippen verteld dat dat was om de Palestijnse winkeliers en winkelaars te beschermen voor de kolonisten die via de bovenwoningen – waar ze vaak wonen – of via de daken afval, kokende olie en meubels naar beneden gooien. Waarom? De Palestijnen hebben het ze vast niet gevraagd, maar denken het antwoord te weten: om de hen het leven, of tenminste het werken in dit deel van de stad, onmogelijk te maken. Wat behoorlijk effectief is, want naarmate we verder de oude stad inliepen, werden de steegjes en pleinen leger (en geloof me, dat voelt als een contradictio in terminis, een lege Arabische stad). Totdat we in het centrum kwamen waar – midden in de stad – een Israëlische nederzetting was. Met muren en prikkeldraad en scherpschutterstorens hebben de kolonisten een veroverd gebied afgebakend waarin de oude Palestijnse school nu een synagoge is en waarin de Palestijnse huizen nu Israëlisch zijn. En vanuit daar wordt een van dak-tot-dak offensief gevoerd. Op het dak van een van de weinige huizen in dat gebied die nog steeds in handen van Palestijnse eigenaren zijn, keken we uit over verschillende omringende daken waarop Israëlische vlaggen wapperden en werd ons uitgelegd dat kolonisten elke week wel een poging deden om hun huis af te pakken. Door middel van brandstichting of door middel van het fysiek verwijderen van de bewoners. Omdat de Israëlische staat en dus het Israëlische leger officieel tegen de nederzettingenpolitiek zijn, is er een soldatenpost op het dak naast dat van onze gids gestationeerd die de kolonisten moet tegenhouden als ze hun nederzetting verder willen uitbreiden. In de praktijk kijken die soldaten op zijn best de andere kant op en helpen ze op zijn ergst de kolonisten actief mee. Ik snap nog steeds niet precies hoe die mensen erin slagen om hun huis te behouden (want wat kan je doen als gewapende mannen via het dak je huis belagen), maar een deel van hun standvastigheid is te danken aan het feit dat er regelmatig buitenlanders in hun huis slapen om te zorgen dat het Israëlische leger ten minste weet dat er iemand (alleen een niet-Palestijn telt als iemand hier) meekijkt wat er vaak voor zorgt dat zij hun taak wel doen en de kolonisten in toom houden. Wat het nut van mijn verblijf en onderzoek in Ramallah even in perspectief zet.
Maar dan zijn er altijd nog andere strategieën, zoals een aardige souvenirmeneer uitlegde die ons vertelde dat hij in een voor de kolonisten erg strategische plek woont en dat ze dat uitdrukken in verschillende boden op zijn huis, die begonnen bij tienduizend dollar en nu op meerdere miljoenen staan. Ik moet bekennen dat ik hem vanaf toen zag als een held: een man die tegen de klippen op een souvenirswinkeltje runt in een straat waar meer kolonisten dan toeristen rondlopen en vervolgens een verschillende keren een aanbod afslaat dat hem en zijn familie de rest van hun leven in weelde had kunnen laten leven (wetende dat er een moment kan komen dat de kolonisten genoeg krijgen van het geld bieden en alsnog overgaan tot geweld om hem uit zijn huis te verdrijven en hem zonder woning of geld op straat zetten).
In zijn winkel raakten we, of beter gezegd Sirine, ook in gesprek met een van de Israëlische soldaten die de checkpoints die de ingang van de nederzetting markeren bemanden. Het was een heel interessant gesprek omdat de man geen joodse Israëliër was, maar een druus, een Arabische Israëliër. Toen Sirine hem vroeg waarom hij er voor koos om in het Israëlische leger te dienen – en dan ook nog op de West Bank – om andere Arabieren te onderdrukken, bleek dat hij de situatie ook niet alles vond (en er erg van baalde als de andere soldaten zich misdroegen), maar dat het een lucratieve carrière was en dat Arabieren en Arabieren twee dingen zijn (hij bedoelde, denk ik, dat druzen en moslims twee dingen zijn). Wat even buiten beschouwen laat dat je ook als ‘niet-Arabier’ geraakt kan worden door het leed van ‘Arabieren’, maar dat terzijde. Het was een heftige discussie en toen hij ons aan het einde de hand wilde schudden, stemden wij hier twijfelend mee in (beleefdheid won het van principes), maar weigerde Shoruq. Je kon zien dat het de man pijn deed dat zij hem zo veroordeelde, maar Shoruq legde uit dat zij niet per se en probleem zou hebben de hand te schudden van een Israëliër na een interessante discussie, ‘maar iemand die ervoor kiest te dienen in een leger dat ons onderdrukt, op een plek waar die onderdrukking op zijn hevigst is, omdat dat brood op de plank brengt, is niet mijn vriend en krijgt niet mijn respect en ook niet mijn handdruk.’ De eigenaar van de winkel (die zelf overigens wel vriendschappelijk met onze druzische Israëliër omging en verklaarde dat het best een toffe gast was en minder vervelend dan de meeste soldaten die er rondliepen) was danig onder de indruk en verklaarde dat als hij een zoon had gehad hij Shoruq niet had laten gaan voordat die zoon haar hand wél had gekregen. Later vertelde Shoruq dat haar broer in een Israëlische gevangenis zit, wat de situatie voor haar nog persoonlijker maakt.
Sowieso was het bijzonder om met Shoruq daar rond te lopen, want je krijgt een ander beeld van zowel de stad zelf – door wat zij weet te vertellen – als van de bezetting – want reken maar dat Israëlische soldaten een Palestijnse anders benaderen dan een groepje toeristen. Toen we het bezette gedeelte weer uitliepen werden we teruggefloten en moest Shoruq haar identiteitsbewijs laten zien en toen we stopten om dat te laten zien, werd ons vervolgens zonder een blik in onze richting toegesnauwd dat we door moesten lopen en niet moesten blijven hangen. Maar ook tussen toeristen wordt een onderscheid gemaakt. Toen we de Ibrahimi Moskee wilden bezoeken werd ons verteld dat dat niet kon, omdat het gebedstijd was voor de moslims en wij gaan moslims zijn. Prima. Alleen was het pas over een half uur gebedstijd en hadden wij maar tien minuten nodig. Helaas hadden de Israëlische soldaten die het checkpoint hier regeerden daar geen boodschap aan. Die boodschap hadden ze even later wel toen een groep Amerikaanse (misschien zionistische, in ieder geval door soldaten begeleide) toeristen naar binnen wilde: dat was geen probleem. Toen we anderhalf uur later terugkwamen, mochten we wel naar binnen – maar niet voordat we ons aangeschafte aardewerk weer terug hadden gebracht naar het winkeltje waar we het hadden gekocht met het verzoek er even op te passen, want onze souvenirs mochten we niet mee naar binnen nemen (Waarom? Daarom!). De moskee zelf is beroemd als de laatste rustplaats van Ibrahim/Abraham, maar nog meer als de plek waar de kolonist Baruch Goldstein in 1994 bijna dertig mensen doodde en er nog veel meer verwonde. Een gebeurtenis die een situatie illustreert die zo gespannen en pijnlijk is dat zelfs de Lonely Planet, die gewoonlijk erg goed is in het negeren van de Palestijnse gebieden en perspectieven, er geen doekjes om windt:

Each armed settler in the Old City is protected by as many as four armed soldiers stationed on rooftops and street corners, emboldening the 600 Jews there to parade in the streets chanting anti-Arab ditties and wielding guns. Clashes break out between settlers and soldiers regularly. As proof of the unusual radicalism of these settlers, there is a memorial tribute to Brooklyn-born physician Baruch Goldstein who, on the Jewish holiday of Purim during the Muslim holy month of Ramadan in 1994, sprayed Palestinians with bullets while they prayed in the mosque.

Jammer genoeg zijn er ook hele vervelende Palestijnen (net zoals er vast hele lieve en leuke Israëliërs zijn, maar die kom je in de West Bank niet tegen). Zoals de jongen die ons maar bleef achtervolgen door de stad, ons constant toeroepend dat we ook iets van hem moesten kopen omdat we anders discrimineerden en omdat hij zieliger was dan degene van wie we eerder onze souvenirs hadden gekocht en dat we egocentrisch waren als we dat niet deden en dat we parasieten waren als we zijn sleutelhanger niet kochten. En belachelijk als het is, ergens raakt het je dan opeens wel, na een dag vol ervaringen zoals ik hierboven beschreven heb.
En toen, als klap op de vuurpijl, werd ons busje op de terugweg ook nog eens gestopt bij een checkpoint, want problematisch was omdat Shoruq haar identiteitsbewijs niet bij zich had. Uiteindelijk bleek er ergens een computersysteem waarin de soldaten konden opzoeken dat ze geen terrorist was. Een van hen was daar niet zo van overtuigd en vond ook mij verdacht aangezien hij maar bleef vragen of ik Bin Laden kende. Toen ik hem er eindelijk van had overtuigd dat dat niet het geval was, maar dat mocht ik hem ooit tegenkomen, ik zijn nummer zou vragen, vroeg hij me of ik dan fan was van Bin Laden, of Bin Laden een ‘goede man’ was? Ik vond van niet, maar mijn antwoord op zijn ‘waarom niet’, namelijk dat ik niet van mensen hou die andere mensen doden, viel niet in erg goede aarde. En opeens is het dan niet meer zo grappig, als iemand met een enorm geweer rondjes om je busje loopt met je paspoort in zijn hand en dat ie dat paspoort (Sanne weet welke hechte relatie ik in den vreemde met mijn paspoort heb) niet wil teruggeven. Natuurlijk weet je wel dat er niet echt iets gaat gebeuren (een wetenschap die meet afhangt van de kleur van het betreffende paspoort dan van de discipline en controle van de betreffende soldaat, heb je soms het gevoel), maar ik kreeg even een voorbeeld van hoe machteloos je je voelt als iemand kan doen en zeggen wat hij wil en je je maar in moet houden omdat hij alle troeven in handen heeft en jij geen. Tijdens de hele dag voelde ik me zo boos en agressief en verdrietig en gefrustreerd dat het moeilijk onder woorden te brengen is, al helemaal wetende dat het mij allemaal niet eens echt aangaat en dat de mensen die het wel aangaat zich die emoties op een gegeven moment niet meer kunnen veroorloven als ze nooit iets opleveren. Ik heb echter een poging gewaagd hier toch een beeld te schetsen van wat ik zag en hoorde en wat dat met me deed.

Mijn volgende blog zal hopelijk weer wat luchtiger zijn.

Geplaatst door Nora Marie 1:07 Reacties (2)

Doe meer met Travellerspoint

Reis Blogs | Reis Forums | Reisgids

The others

Afgelopen week was een drukke en korte werkweek. Na een avond heftig doorzakken in de Pronto (de hippe iedereen-kent-iedereen hangout hier) op dinsdag was met name woensdag een beproeving. Want hoewel de eerste twee weken rustig waren en de derde lekker, was vorige week gewoonweg idioot druk. Hoewel ik me ervan bewust ben dat ik eerder heb lopen klagen over het gebrek aan werk – en dat het nu dan misschien gek is om te zeuren over een overdosis – komen beiden voort uit dezelfde situatie waaraan ik nog niet helemaal gewend ben: afhankelijkheid. Hoewel ik natuurlijk geenszins wil klinken alsof ik alle verantwoordelijkheid afschuif, merk ik dat ik er niet zo goed tegen kan als je planning bepaald wordt door anderen – als zij op tijd klaar zijn, kan ik aan de slag, anders niet; als mijn baas opeens voor een paar dagen naar Parijs moet, gaan mijn afspraken ook niet door. Die situatie werd nog even extra versterkt omdat er op woensdagavond een deadline lag vanwege de Eid al-Adha (het slachtfeest) vakantie wat een beetje de sfeer creëerde van een ‘alles moet de deur uit voor kerstavond’ toestand. Maar goed, feest betekent vakantie en mijn weekend duurde dit keer geen twee maar vijf dagen, een omstandigheid die ik gezien het bovenstaande nog eens extra aangreep om er een paar dagen tussenuit te gaan. Omdat je daar in een gewoon weekend niet aan toe komt, wilde ik graag eens Israël (of ‘48’, zoals de politiek meer bewusteren onder ons het graag zouden horen: een afkorting van ‘1948’ dat verwijst naar het Palestina van voor de stichting van Israël) bekijken.

Dus donderdagochtend toog ik getooid met backpack (waarom zijn die dingen altijd immens, ook als je er amper iets instopt?) naar Jeruzalem, waar ik met Jenny, een vriendin van Sirine, had afgesproken. Op het centrale busstation van Jeruzalem had ik al mijn eerste cultuurshock, niet alleen door de strenge beveiliging, maar vooral doordat het op niets zo veel leek als een enorm winkelcentrum vol met McDonaldsen, hotdogkraampjes en een Holy Bagel vestiging. Ietwat verdwaasd om ons heenkijkend hadden we al snel een kaartje te pakken. Jammer genoeg niet voor de bus naar Nazareth (ons einddoel voor die dag), want er is geen directe lijn tussen Jeruzalem en Nazareth, iets wat behoorlijk opvallend is gezien de toeristische aantrekkingskracht van Jezus’ hometown. Iemand legde ons later uit dat dit waarschijnlijk geen toeval is en dat Israël toerisme – en dus vervoer – naar de Arabische steden en gebieden binnen het land niet erg toejuicht (iets wat – als het waar is – ook kan verklaren waarom er geen directe bus is van het centrale busstation in Jeruzalem naar het ‘Arab’ busstation, vanwaar de bussen naar de West Bank vertrekken). Na wat overstap gedoe en een extra kilometertje lopen (in een keer de goede kant op dankzij de hulp van een local die zich persoonlijk schuldig voelde over het gebrek aan direct transport) waren we uiteindelijk toch in Nazareth. Na even zoeken – en zwetend in de zon, het is gewoon zomer in Noord Israël – vonden we uiteindelijk ons hostel. Prachtig gelegen in de oude stad, in de vorm van een perfect omgebouwd oud Arabisch huis en met alle faciliteiten die je je maar kan wensen, miste het toch iets. Na wat discussie kwamen Jenny en ik erop uit dat dat te maken heeft met de onvermijdelijke werking van het ‘Lonely Planet principe’. Lonely Planet, de reisgids die bijna overal ter wereld de richtinggevende bijbel van vele reizigers en toeristen is, maakt er breekt eet- en slaapgelegenheden, een op zich niet erg verrassende observatie. Maat dat dat tegelijkertijd gebeurt, was voor ons wel een eye-opener. Mijn Lonely Planet is ruim twee jaar oud en in die twee jaar staat het hostel waar we ons oog op hadden laten vallen als ‘aanrader’ bovenaan de lijst in de Lonely Planet. Het gevolg is dat iedereen (wij ook – waarvoor ik me nu wel een beetje schaam) het hostel in kwestie uitkiest. Gebaseerd op een oordeel van twee jaar geleden dat niet herzien zal worden zolang er geen nieuwe reisgids komt (wat vaak een jaar of vijf duurt). Dat betekent dat het hostel – totdat er een nieuwe versie komt – kan doen wat het wil zonder die geprivilegieerde positie te verliezen. Meestal betekent dat dat de prijs verdubbeld, het hostel uitbreid en de service routinematig wordt. En dat er van de unieke, persoonlijke en betaalbare sfeer die in het betreffende Lonely Planet artikeltje geroemd wordt, weinig overblijft. Tot zover het uitstapje naar een ontdekking die elke iets ervaren reiziger dan ik vast al lang ervaren heeft. Het hostel was overigens verder prima.
Behalve dat het enkele andere backpackers huisvestte die de confrontatie met het in Israël zijn voor mij en Jenny meteen even aan de oppervlakte deed komen. Na het gebruikelijke ‘wat brengt jou hier, wat kan je aanraden en wat zijn je verdere plannen’ die een soort semi-ritueel vormen in dit soort hostels, bleek al snel dat de meeste mensen Israël toch vooral zien als een goed bereisbare, lekker zonnige en historisch fascinerende reisbestemming. Wat op zich natuurlijk begrijpelijk is: veel mensen reizen niet vanwege de politieke obsessie, maar omdat ze het leuk vinden. Wat wel vreemd is, is dat diezelfde mensen nog nooit van Ramallah gehoord hadden en ook niet echt op de hoogte waren van het bestaan van de West Bank. Voor ons was het alsof we in een soort parallelle wereld terecht waren gekomen waarin Palestijnen en problemen niet bestonden.
Nazareth zelf was verder leuk, mooi, maar niet uitzonderlijk geweldig voor iedereen die niet onder de noemer ‘christelijke pelgrim’ valt. Gelukkig voor Nazareth zijn er busladingen mensen die dat wel doen en met open mond van de ene naar de andere moderne-kerk-gebouwd-op-een-of-andere-bijbelse-grot werden geleid. Wat de boel aanzienlijk verlevendigde was het bovengenoemde Eid feest waardoor de stad bruiste van het vuurwerk, de muziek, rennende kinderen met enorme ballonnen (ik weet niet of er een religieuze connectie tussen die ballonnen en dit feest is, maar ik zag geen kind onder de vijf zonder), kletsende volwassenen, en hordes pre-pubers die elkaar heel serieus feliciteerden en (even ontdoken aan de ouderlijke controle) rondflaneerden alsof ze jaren ouder waren dan ze waren. De volgende ochtend werd ons bezoek aan Nazareth helemaal prachtig afgesloten toen we steeds wanhopiger wordend op zoek waren naar een ontbijt en toen opeens een open drankwinkeltje tegenkwamen (waarom is die open om negen uur ’s ochtends?!) waarin een meneer achter de toonbank een ‘speciale’ broodrooster had waarmee hij voor ons een supertosti tevoorschijn toverde.

Die legde een goede bodem voor onze tocht naar Haifa, en gemengde Arabisch-Joodse stad. Op een of andere manier sprak de sfeer me meteen aan, de stad ademde een soort relaxtheid uit die voortkomt uit een gebrek aan erg uitgesproken toeristtraps (ze hebben er volgens mij echt maar eentje: de Baha’i Gardens, een staaltje übersymmetrie in tuinen, knap, maar wel een beetje nuffig). Het is een stad waar meer geleefd wordt dan tentoongesteld en er hing een soort hard te definiëren alternatieve buzz – de meest waanzinnige graffiti, coole cafeetjes waar je ze het minste verwacht. Er waren overal lekker vergane, maar nog wel mooie huizen met van die breekbare balkonnetjes volgeladen met kleurrijke was aan allerhande wasrekken en -lijnen. En bomen! Groen! Parken! Bloemen! Heerlijk. We hebben vooral heel veel rondgelopen, steeds half verdwalend en ons verwonderend over de rust en reinheid van een stad die toch nog een edge heeft. Ergens deed het me aan Berlijn denken: er is geen oud centrum, maar meer een verzameling wijken die ieder hun eigen sfeer en publiek hebben. Na een kwellende tocht bergop (de stad is vanaf een haven tegen de berg opgebouwd) kreeg ik bovendien de beste milshake aller tijden voorgeschoteld nadat men me had verzekerd dat ze geen milkshakes hadden, maar wel ‘vruchtensappen gemengd met melk’. Verder hebben we uren in het park gelegen met een enorm Amerikaanse sandwich (van een exemplaar kon je een week eten), hebben we een shopping mall uitgekamd op zoek naar representatieve kleding voor Jenny (wat weer een heel ander beeld opleverde, wat een met luchtverfrissers vergeven Amerikaanse ellende), hebben we heel local Chinees gehaald bij de Chinees om de hoek (goed ontbijt) en kwamen we dit keer wel leuke ‘Israëltoeristen’ tegen, waarvan we er enkele over konden halen om toch ook echt de West Bank te bezoeken.
Want op een of andere manier was het voor ons onmogelijk om niet in die stemming te komen waarin we toch ergens een beetje politiek in de gesprekken wilden brengen. Want hoe idyllisch en rustig en lekker het ook allemaal is, na een tijdje gaat het knagen. Natuurlijk is het lastig om te zeggen hoeveel van mijn ervaringen en gevoelens omtrent Israël gekleurd worden door de perceptie die ik vantevoren al had opgedaan tijdens jaren Midden-Oosten interesse en aangescherpt in een maand Ramallah. Maar het jeukt wel. Dat men in Israël schijnbaar doet alsof er niets aan de hand is, niet alleen de toeristen in Nazareth weten niets (of doen alsof ze niets weten) van Palestina. Dat is een beetje een paradox, want de kranten staan er natuurlijk vol van, de politiek gaat over weinig anders en het is heus niet zo dat Israël achterlijk is. Maar in het dagelijks leven waarvan je even een glimp denkt op te vangen, vol parken met wandelende gezinnen, vol sprankelende winkelcentra, vol toeristen die niet anders weten dan dat Israël zo toegankelijk is, is er voor het onrecht en de frustratie nog geen honderd kilometer verderop geen plek. En ook al ben ik ook niet veel meer dan een toerist en doe ik niets om de situatie te verbeteren, als je net een tijd in Palestina hebt gezeten, is dat pijnlijk. De Palestijnen willen vast ook niets liever dan de hele situatie vergeten, maar zij hebben die luxe niet. Voor hen niet het water dat nodig is om al die artificiële parken in stand te houden; voor hen alleen winkels met dubbelbelaste importartikelen; voor hen amper toeristen. En toch was ik blij om weer terug te zijn. Want ook al is het heerlijk om ongestoord in een park te kunnen liggen en vervoer te hebben dat stipt op tijd rijdt, doe mij toch maar liever de gemiddelde Arabier die je in gebroken Engels tegemoet treedt dan de Israëliërs die wij meemaakten die zelfs een Engelse tour in stoïcijns Hebreeuws aankondigen. En doe mij maar de falafelmeneer bij mij om de hoek die me laatst gratis een broodje falafel gaf omdat hij nog maar een falafeltje (normaal gaan er ongeveer vier van die gefrituurde kikkererwtenpureeballetjes in) had. Liever dan de meneer in Israël die me eerst niet minder dan een halve kilo hummus wilde verkopen en vervolgens voor elk stuk brood nog extra geld vroeg ook.

Ook de trein naar Akko de volgende dag was een aparte gewaarwording. Want in Nederland mogen studenten gratis gebruik mogen maken van het openbaar vervoer, in Israël zijn dat de soldaten. En omdat iedere Israëliër vanaf zijn achttiende twee jaar dienstplicht heeft, zijn dat er nog al wat: in onze trein zaten meer soldaten dan ‘gewone’ mensen, allemaal jonger dan ik en allemaal met een hippe zonnebril en een te fotogeniek uniform. En om een reden die ik nog niet ken, hadden bijna alle jongens een enorm geweer bij zich, maar geen van de meiden. Die geweren, en de openlijke coolheid van het leger, zijn moeilijk om aan te wennen als je een wapenvrije maatschappij als Nederland gewend bent, met een professioneel leger… Maar samen met de enkele op en neer wiegende en met een boekje zwaaiende orthodoxe jood die zelfs in de bus niet stopt met bidden, geeft het een aparte dwarsdoorsnede van Israël.
Hier moet ik natuurlijk wel even opmerken dat alles wat ik hier nou over Israël opschrijf, gebaseerd is op de drie dagen die ik er – als toerist, dus zonder echt met verschillende Israëliërs te praten, en als iemand met een zwak voor de Arabische wereld – heb doorgebracht. Dat terwijl ik maanden in Palestina zit. Niet alleen is mijn beeld onvermijdelijk subjectief, er is ook nog eens helemaal geen monobeeld. Noch voor Israël, noch voor Palestina. Ieder mens een eigen verhaal, een eigen mening, een eigen visie – verhalen, meningen en visies waar ik in geïnteresseerd ben en waarvoor ik open hoop te blijven staan. Maar hoewel het leven altijd doorgaat, zowel in Israël als in Palestina, vind ik niet dat al die levens, en de verschillen ertussen in Israël en Palestina, bezien en gewogen moeten worden als zijnde onderdeel van een conflict tussen gelijken.
Zo, dat was het weer wat betreft het opgeheven vingertje voor vandaag… Akko was super. Natuurlijk heel pittoresk, vol kronkelende steegjes, uitzicht op een azuurblauwe zee, prachtige oude stadsmuren en een knusse binnenstad met onverwachte pleintjes. En omdat het nog steeds Eid was, was de hele stad in een kermissfeer gedrenkt: blije kindermuziek die klonk alsof ze K3 op helium hadden gezet na een spoedcursus Arabisch; overal suikerspinnen en ballonnen (alweer); paardenkoetsjes vol gezinnen die tochtjes door de stad maakten (in eentje zat enkel een breed grijnzende bejaarde vrouw die de menner de hele tijd aanspoorde om harder te gaan). En het mooie is, Akko was al leuk zonder in alle kerkers en kerken te kijken die ik straks met Erik ga bezoeken, kun je nagaan!

Geplaatst door Nora Marie 2:41 Reacties (0)

Het groene gras...

Ik ben hier al een tijdje en dan gaat de tijd weer vliegen, desalniettemin hier tussen de bedrijven door weer wat bespiegelingen en oprispingen.

Ik wilde jullie mijn eerste bezoek aan Al-Quds (Jeruzalem mag ook, maar is minder politiek correct) bijvoorbeeld niet onthouden, want ook al stelde het kwantitatief niet zo veel voor, het heeft wel de indruk gemaakt waar je op hoopt, maar waar je niet op durft te rekenen. Het begon al met een busritje dat voor mij memorabel was, omdat het de eerste keer was dat ik door een checkpoint heen moest. En het Qalandia checkpoint tussen Ramallah en Jeruzalem is een ‘echte’: iedereen moet uit de bus, tussen een soort veehekken wachten tot je door een ijzeren draaideur mag waar je je paspoort moet laten zien, door een metaaldetector wandelt en je tas inlevert voor inspectie. En op papier is dat een routine waar je wel aan went, maar in werkelijkheid is het vrij verschrikkelijk. Een voorbeeld: het ijzeren draaihek waar je door moet, wordt gereguleerd door de Israëlische soldaten en om de zoveel mensen wordt die dicht gegooid omdat die mensen dan eerst ‘verwerkt’ moeten worden voor de volgende lading erdoor kan. Maar het gebeurt op een of andere manier iets vaker dan toevallig dat er net iemand in dat draaihek zit als die op ‘slot’ gaat, waar die persoon vervolgens soms rustig tien minuten klem zit in dat hek. Als je vervolgens wel door dat hek heen bent, moet je dus je paspoort laten zien, maar wel aan iemand die opzichtig helemaal geen zin heeft om naar je te kijken. Geloof me, je voelt je stom als je minuten met je paspoort in de lucht staat te zwaaien voordat iemand zich genegen voelt je kant op te kijken en je met het benodigde knikje doorstuurt. En natuurlijk was het deze keer ook routine. Maar – alsof die routine niet al erg genoeg is – ik heb in de korte tijd dat ik hier ben al genoeg verhalen gehoord van nog veel naardere uitzonderingen (uitzonderingen die ondertussen ook al bijna deel van de routine uitmaken): als mensen hun vasten tijdens Ramadan willen beëindigen, worden checkpoints vaak net dan even een uurtje dichtgegooid, zodat mensen niet met hun familie kunnen eten, maar dat in de auto moeten doen; ‘voor de grap’ wordt er vaak afgewisseld tussen de twee toegangsbanen van een checkpoint, wat betekent dat mensen gedwongen worden om soms meerdere keren voor niets van de ene naar de andere rij te rennen, onder het gegniffel van nagels vijlende Israëlische soldaten.
Maar goed, toen was ik wel in Jeruzalem! Ik zou er even rondgeleid worden door Ylva, met wie ik samen mijn MA heb gedaan en die nu in Jeruzalem woont, en dan zouden we samen wat gaan eten. Druk bijkletsend slingerden we van het busstation naar de oude stad en toen stond ik opeens oog in oog met de Damascus Poort. Adembenemend. Prachtig verlicht, levendig, maar rustiger dan overdag. Toegang biedend tot de oude stad van de stad. Waar ik vervolgens even vol van geluk ronddwaalde: de bestrating die de ingesleten tred van eeuwen draagt, de variëteit aan winkeltjes, de manier hoe je binnen een paar minuten verdwaald bent zonder dat dat erg is (en geloof me, voor een control freak als ik is dat snel erg), het enorme verschil aan mensen (rennende kids, gedistingeerde heren, verkopers en kopers, vertellers en luisteraars). Uiteindelijk kwamen we uit bij de Klaagmuur – ik had me nooit gerealiseerd hoe gemengd Jeruzalem nog steeds is (tenminste de oude stad), ondanks alle checkpoints door het hele land, loop je in de oude stad bijna per ongeluk van het Arabische gedeelte naar het Joodse gedeelte (als er al zulke afgebakende ‘gedeeltes’ zijn) – waar we stiekem toch even hebben staan giechelen om alle in trance op en neer wiegende en prevelende slecht geklede mensen. Maar het mooie en bijzondere van Jeruzalem had wel een wat bittere nasmaak, want het deed me even goed realiseren wat ik precies mis in Ramallah: sfeer, geschiedenis, karakter, esthetiek. Ik had me al eerder beseft dat Ramallah niet het plekje in mijn hart gaat innemen dat Damascus en Beiroet delen, maar kon er niet helemaal de vinger opleggen waarom niet, schoof het onbewust toch af op het feit dat ik hier maar zo relatief kort ga zijn/ben. Maar ironisch genoeg – na mijn geweeklaag over archeologische meuk in mijn vorige blog entry – kan ik mijn geschiedenis BA blijkbaar toch niet afschudden, noch mijn conflict studies BA achter me laten: een plek of een stad doet pas echt iets met me als die eeuwen bagage heeft verzameld of extreme diversiteit en spanning herbergt.

En het gras is niet alleen aan de andere kant van het checkpoint groener, bleek toen ik Nabloes, een stad in het noorden van de West Bank aandeed. Eerst voor een werkafspraak, waar ik heel decadent door een ‘auto van de zaak’ – met chauffeur, manusje van alles op kantoor Mazen – naartoe werd gebracht. Het landschap veranderde na enkele kilometers al vrij abrupt in minder zooi en meer mooie rotsformaties en de beroemde Palestijnse olijvenboomgaarden. En Nabloes leek vanuit de auto al een stuk kleuriger en gezelliger dan Ramallah. Maar ik was eigenlijk te druk bezig met de bespreking die ik zou gaan hebben met vier senior experts van de Nabloes dependance van de organisatie waar ik mee werk (’s ochtends had de directeur van het Ramallah kantoor die mee zou gaan me even tussen neus en lippen meegedeeld dat hij toch niet mee kon, maar ‘ik kon het toch ook wel alleen af?’). En ja, dat vind ik dan toch wel spannend, vier mannen die samen ongeveer acht keer zou oud zijn als ik die ik even in een vergadering mag leiden… Maar het ging goed en ik vond het zelfs wel leuk. Maar dat kan ook een gevolg geweest zijn van de cafeïne-theïne-suiker-trip waar ik in verkeerde na het vergeefs afslaan van twee koppen mierzoete thee, een kop al even zoete koffie en een bak kunafeh: in suikersiroop verzopen geitenkaasflapjes (lekker!!!). Hoe dan ook vielen de moppen over Khalili’s (mensen uit Al Khaliel, Hebron, een stad in het zuiden van de West Bank) erg in de smaak, al helemaal toen bleek dat ze verdacht veel op de Nederlandse Belgenmoppen lijken. Nu een van de leukste mensen die ik hier tot nu toe heb ontmoet uit Al Khaliel blijkt te komen – Shoruq, een van de meest kordate en hartelijke mensen die er rondlopen in deze plek die toch wel wat vreemde mensen aantrekt en produceert – moet ik natuurlijk een beetje op gaan passen met waar en wanneer ik mijn nieuw vergaarde moppenarsenaal aanboor, maar dat mocht de pret toen niet drukken.
Maar samen met Shoruq, Sirine en Joe ging ik van het weekend dus terug naar Nabloes, dit keen niet op hakken, maar op wandelschoenen, openlijk als toerist. En het werd bevestigd: Nabloes raakt iets wat Ramallah nooit zal vinden, maar ja, wat wil je als een stad de bijnaam ‘klein Damascus’ draagt (volgens Shoruq praten de mensen er zelfs met hetzelfde accent). De souq was fantastisch en een oriëntalistisch feest van herkenning tussen bergen kunstig opgestapelde Made-in-China zooi, bungelende koeienkoppen, schreeuwende mannetjes met handkarren waar samengebonden TV’s en hopen kinderen in vervoerd worden. Nabloes is niet alleen kleurig, het is geurig, uitgesproken, lawaaiig, een rommeltje waar af en toe de mooiste oude architectuur of cultuur uit op rijst. Er wordt niet alleen ambachtelijke zeep gemaakt waar de beste kwaliteit Palestijnse olijfolie in verwerkt wordt, er wordt ook ‘Insurrection’ parfum (‘for him and her’) verkocht… En stampvol van de kunafeh (die ze nergens beter schijnen te maken, een ietwat lastig te controleren claim) werden we later die dag op straat aangeschoten door een groep vrolijk verontwaardigde mannen die graag even tekst en uitleg wilden bij het schijnheilige en met twee maten metende optreden van de Europese regeringen. Gelukkig hadden we Sirine bij ons, die én vloeiend Arabisch spreekt én een dichtgetimmerd politiek relaas paraat heeft (die ongeveer wel aansloot bij dat van de betreffende mannen, zij het wat erudieter) waar je u tegen zegt. Op de terugweg moesten we nog even langs het ISM (International Solidarity Movement) appartement in Nabloes waar Joe wat had laten liggen. Dat was een leuk inkijkje in een interessante scene hier (ISM is een international organisatie die Palestijnse verzetsgroepen en demonstratiebewegingen ondersteund – wat varieert van het meelopen met Palestijnse kinderen naar hun school omdat ze anders door kolonisten met stenen bekogeld worden tot het met hand en tand verdedigen van huizen die ontruimt dreigen te worden tot het aanklagen van bedrijven die meebouwen aan de muur – en die heeft in de belangrijkste steden in Palestina appartementen waar alle ISM vrijwilligers terecht kunnen). Door die omweg, waren we echter wel wat ‘laat’ voor de bus terug. En dat liet even een iets minder leuk stukje van Palestina aan de oppervlakte komen: Sirine waarschuwde al dat de maatschappelijke sfeer in Palestina sinds het mislukken van de tweede intifada een stuk individualistischer en negativer was geworden en dat bleek in de strijd om een plek in de bus. Toen we aankwamen stonden er al vier mensen te wachten op het volgende busje naar Ramallah. Toen wisten we al dat het lastig zou worden, omdat wij ook met z’n vieren waren en er maar zes mensen in zo’n bakkie passen. De volgende dan, dachten we. Maar men hechtte niet echt waarde aan wie er al sinds wanneer stond te wachten, men hechtte waarde aan wie er als eerste zich in het busje had gepropt (waar de mensen die alleen waren dus meer succes hadden dan wij met z’n vieren). Gevolg: toen het volgende busje kwam, stond er al weer een crowd klaar om ons aan de kant te beuken. Maar het probleem is dat je nooit weet wanneer het volgende busje komt en dat het volgende busje ook heel goed het laatste busje kan zijn. Nou ja, ik voelde me langzaam heel onzichtbaar en verdrietig en agressief worden na de hele tijd genegeerd te worden en uiteindelijk gedwongen te worden om maar net zo lomp te doen als de rest om nog thuis te komen. Wat overigens gelukt is, dus zo dramatisch is het hele verhaal nou ook weer niet.

En ook al is Ramallah maar yaani – het antwoord wat je van elke Arabier zal krijgen als iets een beetje zozo is of als je niet ronduit negatief wil zijn – ik voel me er wel al steeds meer thuis. De meneren in mijn favoriete café met wireless weten al precies dat ik altijd een ‘big herbal’ (ze vergeten de toevoeging ‘tea’) wil; met mijn huisgenoten heb ik al de goede vertrouwde snaar te pakken; en op mijn werk ben ik ondertussen niet meer aan het doen alsof ik net zo druk ben als de rest, maar ben ik dat ook echt. En sowieso is het wel weer heerlijk om in het Midden-Oosten te zijn. Daar waar de mensen een geheim teken hebben waardoor ze allemaal tegelijk weten wanneer je moet betalen als je in een minibusje zit (ergens halverwege, out of the blue) dat ik nog steeds niet ken. Daar waar twee mensen samen op een manier kunnen lopen waarmee ze onbewust de hele straat kunnen blokkeren (waarachter ik dan wanhopige inhaalpogingen doe). Daar waar niemand iets plant of belooft (en je dus als je een housewarming feestje geeft zo met z’n vijven zit als je twintig mensen hebt uitgenodigd, bleek dat er ook een gratis concert was). Daar waar de neonverlichting iets romantisch heeft en ik vrolijk word van plastic bloemen. Daar waar mensen rustig twintig minuten de tijd nemen om je de weg te wijzen en hem dan ook wijzen en dus met je meelopen in plaats van ‘m alleen uit te leggen.

Zoals toen we een paar dagen geleden op weg waren naar de voorstelling ‘The Circus Behind The Wall’ van de Palestijnse circusschool. De enorme theaterzaal van de Ramallah Cultural Palace zat stampvol met verwachtingsvolle kinderen, vrolijke ouders, opvallend veel expatgezinnen en ons (we vielen wel op omdat we geen excuuskids mee hadden genomen). En omdat de toegang drie euro kostte en ik bij circus toch vooral aan clowns moet denken, had ik er niet echt veel van verwacht. Maar dit was onverwachts heel erg indrukwekkend. De trucks en de uitvoering waren super professioneel, met een ontroerende balans tussen humor, dreiging en techniek. Het was meer theater dan circus en het thema van de muur was op een oprechte en rake manier door de voorstelling heengevlochten: door middel van trapezevluchten werd het obstakel gerelativeerd; door middel van een schaduwspel kreeg het onrecht van de scheiding een abstracte diepte; en via een menselijke piramide en stormram viel uiteindelijk de muur ook hier. En de zaal ging uit zijn dak. De simpele en krachtige voorstelling was een mooie illustratie van het feit dat het gras hier aan de andere kant van de muur echt groener is. Dat is namelijk precies waarom die muur er staat, om het groenste gras binnen te harken via het recht van de sterkste.

Geplaatst door Nora Marie 22:44 Reacties (4)

Goedkope accommodatie

Lees recenties van andere leden van Travellerspoint.

Het hier en nu van een historisch conflict

Nieuwe ronde, nieuwe kansen, bij deze een snap-shot verslag van mijn tweede week in Palestina, de bezette gebieden, de Palestijnse gebieden of hoe je het het liefste hebt.

Die begon al ontzettend goed op zondagavond toen Sirine me een barbecuefeestje in loodste dat de organisatie waar zij voor werkt organiseerde als afscheid voor een groep Engelse architectuurstudenten die even langs waren geweest om inspiratie op te doen (het is mij een raadsel waar die inspiratie vandaan zou moeten komen, want de bebouwing is hier wel zo’n zooitje ongeregeld en ononderhouden, dat desillusie eerder op de loer ligt, maar dat terzijde). We hadden de luxe dat de Italiaanse vriend – die als twee druppels water op Bart lijkt, trouwens – die Sirine had uitgenodigd een eigen auto had en dat we dus een lift kregen naar het Bir Zeit (de enige Palestijnse universiteit, op ongeveer een halfuurtje rijden van Ramallah) terrein waar de barbecue was. En op een of andere manier leverde dat een Damasceens aandoende sfeer op waar ik me meteen op mijn gemak voelde. Een grote binnenplaats met vuurkorven en mooie oude bomen, rondsluipende katten die naarmate de avond vorderde en de vleesluchten zich verspreiden steeds actiever werden, een pergola met daaronder wat jammende muzikanten… soms hangt er iets in de lucht dat zich niet laat beschrijven maar wat ervoor zorgt dat je je even erg beseft dat je op dat moment nergens liever zou zijn dan daar. Toen we aankwamen hielpen we eerst even met het klaarmaken van het vlees en de salades en toe het drukker werd klapten we mee met de muziek, of zonder de muziek, werd er enigszins discreet – yeah right – bier in witte plastic bekertjes uitgedeeld en werd er met iedereen en niemand vanallerlei dieps en oppervlakkigs uitgewisseld. Waar ik de week ervoor op het ‘NGO-young-professional’-feestje de hele tijd de neiging had om krampachtig maar met iemand in gesprek te zijn om me maar geen loser zonder gesprekspartner te voelen, was het hier helemaal ok om af en toe het schouwspel even vanaf een muurtje tien minuutjes in je eentje in je op te nemen. Ach, je hebt feestjes en feestjes.

Mijn werk begint nu ook een beetje op gang te komen, vooral met de presentatie die ik afgelopen woensdag mocht/moest geven voor dr. Tamimi (de directeur van de Palestinian Hydrology Group, PHG, de organisatie waar ik mee samen werk) en vier andere experts. Of ik even de ins en outs van het project uit de doeken wilde doen, duidelijk wilde maken welke rol Palestina daarin werd verwacht te spelen en kon vertellen wat ik hier kwam doen. In a nutshell kwam dat op het volgende neer (dan weten jullie ook voor eens en altijd wat nou de officiële reden is dat ik hier rondloop): er is een grootschalig project opgezet om onderzoek te doen naar de invloeden van multi-stakeholder partnerships (MSPs, een duur woord voor samenwerkingsverbanden tussen verschillende groepen in de samenleving, bijvoorbeeld belangengroeperingen, staats instituties, bedrijven en NGOs) die dienstverlening willen verbeteren op de betreffende dienstensector (bijvoorbeeld: worden de diensten waar zij zich mee bemoeien efficiënter en beter?) en vervolgens op de staatsinstituties die bij deze dienstverlening betrokken zijn (met name: vergaren die meer of minder legitimiteit). Het idee is sinds kort dat het steunen van dit soort MSPs een dubbel voordeel heeft, omdat het enerzijds de dienstverlening beter maakt (wat niet lukt als je maar een groep – bijvoorbeeld de staat – steunt) en anderzijds de staat verstevigt (wat niet gebeurt als je de staat buitensluit). Met dit onderzoek gaan we kijken of dat ook daadwerkelijk zo is (doen MSPs wat ze hopen/pretenderen en heeft dat inderdaad altijd een positief effect op de perceptie van de staat?). Het onderzoek zal in vijf landen uitgevoerd worden, waaronder Palestina, waar over anderhalve maand het veldwerk zal beginnen. Voor dit veldwerk zijn algemene interview vragen ontworpen. And that where I come in: ik mag die interview vragen minder algemeen maken en meer toespitsen op de context van de Palestijnse situatie. Dit door met zoveel mogelijk mensen van de PHG en gelieerde organisaties te praten over wat zij bruikbaar en onbruikbaar vinden aan de vragen die er nu liggen. Verder mag ik nog een beetje meehelpen aan het schrijven van een context analyse, het organiseren van een kick-off meeting en het selecteren van de casestudies.

Ik moet bekennen dat ik het allemaal steeds interessanter ga vinden en me soms – als ik bijvoorbeeld strak in de pantalon een meerjarenproject sta te introduceren – ook nog wel een beetje belangrijk voel ook. Maar er zijn toch ook vooral heel veel momenten dat ik me afvraag wat dit soort relatief abstracte onderzoeken nou helemaal voor nut hebben in een situatie die toch met name gekenmerkt wordt door grove onrechtvaardigheid en stekende onmenselijkheid. Tuurlijk, voor veel mensen zal het gebrek aan fatsoenlijk drinkwater en een voortdurende kans op powercuts een groter stempel drukken op hen dagelijks leven dan stateloosheid en checkpoints. Maar wat we vooral niet moeten vergeten is dat deze dingen niet los van elkaar staan en dat het gebrek aan water en energie – net zo goed als het gebrek aan toekomstperspectief en levensvreugde – grotendeels komen door bewust ontwikkeld en uitgevoerd Israëlisch beleid. En dan voel je je wel eens erg onzinnig als met kleine puzzelstukjes als ‘de perceptie van legitimiteit van de Palestijnse staats instituties op het gebied van watervoorziening’ bezig bent. Al helemaal als je dan ’s avonds na je werk in het Popular Art Center voor je ontspanning de documentaire JeninJenin kijkt. Deze film neemt je mee naar het in 2002 door Israëlische bulldozers, bommen en kogels compleet verwoeste vluchtelingenkamp in Jenin, in de noordelijke West Bank, waar het een stem geeft aan mensen die na deze gebeurtenis zonder huis, hoop en eigenwaarde achterblijven en maakt duidelijk hoe zij door grootspraak, woede en tranen een plek proberen te geven aan hun complete machteloosheid en de desinteresse van de wereld. Ik zou iedereen die probeert de situatie hier te begrijpen aan willen raden de documentaire te bekijken (hij is vast ergens te downloaden of op youtube te bekijken): zonder een expliciete uitleg te geven, geven deze beelden, naar mijn mening, meer inzicht dan de meeste theorieën en kronieken van en over het conflict. Ik kwam worstelend met zowel frustratie en ongeloof als nieuw ontketende dadendrang uit het zaaltje (het lukte me daarna dan ook erg slecht om me op een gratis concert vol solo’s van een Franse hoorn te concentreren, ben stiekem middenin weggesneakt, wat lastig was omdat ik vooraan zat, tot zover de rest van die avond). Ben benieuwd wat jullie ervan vinden.

De harde wereld van het hier en nu in Palestina werd me ook duidelijk tijdens de rit van Ramallah naar Jericho. Nou is het woestijnachtige maanlandschap waar ze hier allemaal zo’n ruzie om maken sowieso niet heel erg mooi of vrolijk stemmend, maar de aanblik van een metershoge grijs betonnen muur die door het landschap kronkelt – pijnlijk ironisch in deze dagen dat iedereen vol vreugde de val van die andere muur viert en geen zin heeft om herinnerd te worden aan de bijna voltooide bouw van een nieuwe – is extra reden tot neerslachtigheid. Naast dit onsubtiele symbool van Israëls apartheidspolitiek is ook het gedeelte van hun land waar Palestijnen nog wel mogen komen doorspekt met nederzettingen – een misleidend vertederend woord voor gefortificeerde wereldvreemde verzamelingen onderkomens voor religieuze fundamentalisten –, Hebreeuwse verkeersborden en spiksplinternieuwe snelwegen die alleen voor Israëliërs toegankelijk zijn. Mij bekroop het benauwende gevoel dat de West Bank ondertussen geen Palestijns gebied is waar hier en daar groepen Israëliërs wonen, maar dat het snel veranderd in een Israëlisch gebied is waar hier en daar nog Palestijnen wordt toegestaan te worden (de muur, waarop een opmerkende geest het woord GHETTO had gekalkt, zei het zelf het helderste). Het deed me inzien dat Ramallah niet het topje van de ijsberg is, maar de vlag op het topje van de ijsberg: in mijn woonplaats merk je relatief weinig van de bezetting, maar het raakt je des te meer zodra je die dan even verlaat.

Jericho zelf was dan wel weer een verademing. Omdat het zo laag ligt (het laagste punt in de wereld, wat voor Nederlanders niet zo indrukwekkend is als voor de gemiddelde Arabier, zo bleek al snel) is het er natter en dus veel groener dan Ramallah (en warmer, waar het in Ramallah voor Nederlandse begrippen lente is, is het in Jericho zomer). Daardoor ziet alles er veel vriendelijker en gezelliger uit: de winkeltjes waren crappier, maar met een majestueuze boom erachter, geeft dat toch een andere impressie; de auto’s waren even talrijk, maar zagen er minder allesoverheersend uit door de vele kleuren bloemen en struiken; en de vuilnisbelten zijn zeker aanwezig, maar worden verzacht en gemaskeerd door een grastapijtje. Kortom: vakantiegevoel. Ook omdat ik helemaal losging als toerist: heb voor een belachelijk hoge prijs de telefirique genomen naar het klooster waar de halve toeristenindustrie van Jericho (die behoorlijk aanzienlijk is) op draait en heb daarna geld betaald om een hoop stenen en zand te zien die door moest gaan voor de oude stad van Jericho (en dan hebben we het over een hele oude oude stad, Jericho is – naast de laagst gelegen stad ter wereld ook nog eens van de vele ‘possibly the olders continually inhabited cities in the world’ in de regio, maar vanwege alle bijbelse connotaties lijkt Jerichos claim extra gewicht in de schaal te leggen, want zij laten dat ‘possibly’ gewoon weg). En ik kwam er weer achter dat ik toch echt een contemporain historicus ben (met meer nadruk op contemporain dan op historicus): het klooster vond ik geweldig, omdat het leefde, geschiedenis was, maar ook een hedendaagse functie had: oude vrouwtjes die over de grond kruipen om een bepaalde steen te kussen; mensen die half-hardop uit de bijbel lezen; een monnik die – volgens mij – de betekenis van een afschuwelijk schilderij uitlegde aan een erg Duits uitziend echtpaar. Mensen komen met een reden naar dit klooster en dat doet iets met ze. De oude stad daarentegen was niet veel meer dan gaten in de grond met uitgebreide informatieborden erbij over wat je daar als archeoloog – maar zeker niet als normaal mens, bleek – kon zien. De lust voor oude dingen was me daarna wel dermate ontgaan dat ik geen zin meer had in ‘Hisham’s Palace’ waar je voor enkele euro’s een, volgende de Lonely Planet, ‘volgend archeologisch hoogtepuntje’ voorgeschoteld kreeg. Heb dus maar wat verder rondgeslenterd in de ‘nieuwe’ stad, waar mensen tot mijn grote verbazing zich voornamelijk per fiets bleken te verplaatsen, voelde me helemaal thuis. Jammer was wel dat doordat Jericho zo’n toeristenstad is (Ramallah zit ook vol met Westerlingen, maar die werken er voornamelijk) en ik die dag alleen op stap was, ik me opeens weer heel erg die blonde toeristenprooi voelde – wat meer in mijn hoofd zit dan in die paar ‘welcome, welcome, pssst, pssst, beautiful’, maar het zit er toch maar. Moet nog een beetje op mijn independent backpacker skills oefenen, blijkt maar weer.

Ik vond het dan ook wel lekker weer thuis te zijn. Helemaal als, zoals nu, aan het einde van de middag de zon het appartement in een soort blakend licht zet, waar je helemaal gelukkig van wordt (duurt welgeteld vijf minuten, die lichtshow, maar veranderd een simpel appartementje in een waar penthouse, nou ja, in mijn ogen dan). Een zelfgeperst granaatappel-sinaasappelsapje erbij, en de zegeningen van het Midden-Oosten verdringen met gemak de irritaties (de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat je na die vijf minuten je wel weer realiseert dat je na twee weken nog steeds geen internet hebt in dat penthouse, ook al is je herhaaldelijk verzekerd dat het nu toch echt binnen twee dagen geregeld zou zijn). En zelfs als die hiervoor tussen haakjes genoemde irritaties toch de kop opsteken, hebben die allemaal weer z’n voordelen, zoals dat je een vergelijkend waren onderzoek naar ‘wireless internet leverende cafés’ kan doen, waarbij de noodzakelijke consumpties natuurlijk gedeclareerd kunnen worden. En op weg naar één van die cafés, kan je zomaar een vertederend kromgegroeid oud mannetje (groezelige lange jurk, daarover een strak gesteven colbertje en een mooi kefiyah op zijn hoofd) met een handkar vol verse rozijnen uit Hebron/Al-Khaliel door de oude stad zien schuifelen en in een prachtige woordenconfrontatie terecht zien komen met een enorme tractor die op hetzelfde moment, op hetzelfde tempo, door de oude stad schuift. Opvallend hoe natuurlijk de ‘botsing’ tussen twee tijdschakeringen leek in die omgeving.

Geplaatst door Nora Marie 22:44 Reacties (1)

Ahlan wa sahlan

Toch maar een blog. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en er komt weer zoveel bijzonders en gedenkwaardigs en herkenbaars op me af dat ik het niet kan laten dat voor mezelf vast te leggen en met jullie te delen.

Na een wat onstuimige vliegreis (ik wist niet dat wagenziekte zich ook in vliegende objecten kon manifesteren), een knorrige douanier (heerlijk, het eerste stereotiep meteen bevestigd: een semi-ongeïnteresseerd net meerderjarig kereltje dat erg van zijn machtspositie geniet) en een lange tijd wachten op de bus in gezelschap van hordes soldaten (waar ik erachter kwam dat het hier al om half vijf donker wordt) was ik eigenlijk voor ik het wist in Ramallah. Mijn eerste checkpoint was nogal een anticlimax: kwestie van doorlopen zonder een blik waardig gegund te worden (wat aanzienlijk anders is als je Jeruzalem in in plaats van uit wilt natuurlijk). En als een echte Nederlander betaamt, was het eerste dat me opviel het weer: het regende dat het goot, welkom in de Levant… Toch wel afgepeigerd door de reis (had ik al verteld dat mijn eerste vlucht vertraging had waardoor ik bijna de tweede miste?) en een beetje ontmoedigd door de regenachtige donkerte werd ik opgepikt door twee vriendelijke en vertrouwenwekkende gasten die allebei werken bij de organisatie waarmee ik samen ga werken: Omar en Nidal. Omar liet me vervolgens meteen de twee huizen zien die hij voor mij in gedachten had. En hoewel de studio me het meest aantrekkelijk in de oren klonk, was dat een tochtig hol waar ik zo snel mogelijk weer weg wilde. De kamer in het gedeelde appartement daarentegen beviel me zo goed dat ik er meteen maar ben blijven slapen – maar niet voordat ik mijn eerste falafel scoorde, die me een zalig ‘ik ben er weer’ gevoel opleverde.

In de dagen die volgden heb ik me een beetje gesettled op kantoor en in mijn huis. Hoewel degene die verantwoordelijk is voor het project waaraan ik werk er toen nog niet was (die kwam pas donderdag terug van een reis naar Jordanië), heb ik me amper verveeld: ik genoot van het internet en mijn laptop. En eerlijk gezegd ook wel van de sfeer aldaar, want hoewel dat sneu mag klinken, het is lekker om tussen de mensen te zitten als je net bent aangekomen in een stad waar je nog niets en niemand hebt, ook al werk je dan niet direct met ze samen (zo werd er dinsdagochtend bijvoorbeeld gezamenlijk ontbeten met falafel, een mooie traditie als je het mij vraagt). Ondertussen begon ook de zon te schijnen, wat de wereld – in dit geval Ramallah – een stuk mooier en toegankelijker maakt. Op dit moment is het overdag heerlijk zonnig en stap ik met een enorm lentegevoel rond. Bovendien heb ik de inhoud van mijn tas ondertussen grondig over het huis verspreid (het is een enorm appartement met drie slaapkamers in de ‘oude stad’ van Ramallah, een kwartiertje van het moderne epicentrum ‘Al Manara’ waarin ik een eigen slaapkamer heb en de rest deel) en zo mijn territorium een beetje gepersonaliseerd (jawel, de PACE vlag hangt prominent aan de muur). Dat territorium deel ik met Sirine en Joe, waar ik ontzettend blij mee ben, wederom is het fijn wat leven om je heen te hebben, af en toe samen te koken, te discussiëren over de misstanden in de wereld en erachter te komen dat bepaalde sierkiezels hilarisch door het huis stuiteren.

Het zijn toch voor een groot deel de mensen die je ervaringen maken. En mensen komen in alle soorten en maten. En natuurlijk zijn we allemaal uniek and all, maar enkele categorieën heb ik, zelfs in de korte periode dat ik hier ben, al wel kunnen ontwaren. Allereerst zijn daar de hardcore activisten. Zoals mijn huisgenoten. Sirine is half Palestijns en half Libanees, dus de kritische verzetsmentaliteit zit bij wijze van spreken in haar bloed. Ze leeft ontzettend verantwoord en is aanstekelijk pragmatisch-optimistisch als het op bewustwording en onrechtbestrijding aankomt. Elk stuk groente dat het huis in komt wordt gecheckt op oorsprong (Israëlisch danwel Palestijns: jammer genoeg worden er zelfs in de West Bank heel veel Israëlische producten verkocht, iets waar je als je er over nadenkt natuurlijk liever geen deel aan hebt). Autoriteit wordt zonder onderscheid gewantrouwd (en het is eng maar waar dat de Palestijnse politiemensen hier vaak verdomd veel op Israëlische soldaten lijken en dat de enige vorm van autoriteit die zij kennen, die van de bezetter, vaak op een pijnlijke manier gekopieerd wordt). Plannen worden enthousiast gebracht (variërend van een poster om de vervuiling die nederzettingen veroorzaken voor Palestijnse dorpen aan de kaak te stellen tot een onderwijsmodule om de ‘sushi-mentaliteit’ tegen te gaan, de ontwikkeling dat veel jongeren meer geïnteresseerd zijn in hip consumeren dan in verzet). Joe werkt voor een internationale solidariteitsbeweging en reist de hele West Bank door om mensenrechtenschendingen te registreren. In Engeland wordt hij regelmatig gearresteerd vanwege zijn aanwezigheid bij, en aandeel in het organiseren van, demonstraties. Allebei zijn ze super inspirerend, maar ook – zo eerlijk zal ik zijn – wel wat intimiderend. Gelukkig wordt er ook veel gelachen hier, zuur zijn de activisten nog niet! En dan zijn er de iets minder alternatieve NGO crowd mensen. Gisteren had ik mijn eerste ‘internationals’ feestje, waar voor mijn gevoel alle buitenlanders in Ramallah (tussen de twintig en dertig, that is) en wat Palestijnen die graag met hen gezien worden (en vaak ook gewoon goede vrienden zijn, niet te cynisch, Nora) waren. Misschien was ik gewoon niet in the mood – in de zoektocht naar een instant sociaal leven, vergeet je wel eens te bedenken of je ergens wel zin in hebt – en misschien waren het gewoon te veel van dezelfde soort mensen bij elkaar… Hoe dan ook kwam het opeens wel heel erg op me over als een zichzelf instandhoudende scene met mensen die elkaar al veel te vaak op dezelfde soort feestjes hebben gezien. Zo’n moment waarop je alle kritische antropologie-van-de-ontwikkelingssamenwerking issues werkelijkheid ziet worden. Aan de andere kant, misschien was ik gewoon jaloers dat ik niet incrowd genoeg was, die optie moeten we ook in gedachten houden. Een veel oprechter aanvoelende ontmoeting had ik vanmiddag met Fatima, een vriendin van een vriendin uit Nederland aan wie ik alvast (op eigen aanvraag overigens) gelinkt was. Ze geeft gender awareness trainingen en kon daar super over vertellen, maar we lagen tegelijkertijd ook in een deuk over de kenmerken van studentenhuizen (altijd spaghetti in het putje). Heel letterlijk – ze woonde in een buitenwijk waar je als buitenlander niet zo snel komt, niet omdat het shabby is, maar omdat het ver van het centrum is – leefde ze in een andere wereld dan de buitenland-bubble waar iemand zoals ik zo makkelijk in terecht raakt.

Sowieso is het soms confronterend om jezelf te plaatsen in een palet zoals hierboven geschetst: ik ben opeens niet meer de stagiaire, of de onderzoeker, of zelfs maar de vrijwilliger, nee, ik werk hier. Wat natuurlijk het grote voordeel heeft dat je betaald wordt. Maar het maakt je ook one of them: wanneer mijn huisgenoten vijftig dollar van de huurprijs af willen onderhandelen, denk ik opeens stiekem ‘ach, driehonderd dollar is al best wel weinig en ik heb geen zin in gezeik met Omar’. Als je mag declareren is opeens niet de prijs belangrijk, maar of je een bonnetje krijgt. En dan is er de verleiding om maar bij die grote, dure supermarkt te gaan shoppen in plaats van bij het schattige, kleine winkeltje op de hoek dat niet aan bonnetjes doet. Ik ben er natuurlijk zelf bij, maar het is soms raar te merken dat overwegingen als ‘maar dit komt niet precies overeen met mijn terms of reference’ en ‘hoe erg is het om op onrepresentatieve bergschoenen op kantoor te verschijnen omdat ik naar m’n werk wil wandelen?’ de kop op steken. Het helpt niet echt dat ik de druk voel toenemen nu ik hier al dagen ben en nog amper iets heb kunnen doen aan mijn werk. Hoewel het niet mijn schuld was dat mijn counterpart er niet was, voelt het toch gek om maar een beetje te emailen en skypen als je voor je uren betaald wordt. Maar het eerste gesprek is er vandaag geweest en dat was hoopgevend: hoewel het een uitdaging wordt me te houden aan mijn opdracht en niet in alle inhoudelijk interessante dingen mee te gaan waar zij me graag bij betrekken (ik weet hoe erg dit klinkt, maar goed, mijn taak is nu eenmaal vrij faciliterend), ga ik in de loop van deze week mensen ontmoeten die weten wat ik wil weten. Nu nog zien dat ik met ze kan praten over de dingen waar ik over wil praten, in plaats van de dingen die zij willen prioretiseren. Maar ik vind zelf dat ik al snel weer gewend ben aan de vrijblijvendheid en relativiteit van zaken als ‘tijd’ en ‘overeenkomst’: zet Rita hier een maandje neer en ze stapt vast helemaal van haar ‘afspraak is afspraak’ en ‘recht door zee’ af! Ik ben ondertussen zo ver dat ik toegeef dat ik beter werk met plannen, maar dat ik de charme van wat spontaniteit ook wel kan waarderen. En waarom zou je altijd iets moeten doen? Waarom kan je niet gewoon een middag op je dakterras zitten zitten?

Nou ja, persoonlijk heb ik daar wel een antwoord op: omdat ik nog veel te weinig van de stad gezien heb. Laat staan van de rest van het land en de bezette gebieden (i.e. Israël). De momenten dat je in een demonstratie om solidariteit met Mahmoud Abbas (ofwel Abu Mazen, de Palestijnse president) terecht komt, die voornamelijk bestaat uit politieagenten, in burger en uniform doen je wel realiseren waar je bent. En het is fascinerend om met eigen ogen te zien hoe klein de hoeveelheid mensen was die hiervoor op de been gebracht kon worden, wetend dat het vast als groot nieuws en een alle-Palestijnen-vertegenwoordigende gebeurtenis wordt gebracht. Later die middag volgde een scene die ik meer herkende uit Libanon: een stoet toeterende auto’s waar met vlaggen wapperende mannen uithingen die allemaal ook heel pro-Fatah (de partij van Abbas) waren. En waarschijnlijk net zo spontaan tot deze sentimenten kwamen. Om het af te maken zagen we ’s avonds een stoet veel te hard rijdende geblindeerde auto’s door de stad scheuren: een van hen zou Abbas vervoerd hebben… Het is bijzonder en ook een beetje verontrustend te merken hoe dit soort dingen aan de ene kant een adrenaline en sensatie snaar raken en me het gevoel geven te zijn waar het er toe doet, terwijl het anderzijds iets weg heeft van een show, een tragedie waarin vastgeroeste routines de hoofdrol spelen. Hiermee bedoel ik natuurlijk niet dat het lijden en het onrecht hier er niet toe doet of niet echt zou zijn, maar meer dat dit een wat onwerkelijke en afstompende vernislaag met zich meebrengt die de tragiek eigenlijk alleen maar vergroot.

Hopelijk kan ik door die laag heenbreken in de komende tijd; ik zou graag in mijn volgende bericht schrijven over de Palestijnse mensen die ik van plan ben te ontmoeten en hun werkelijkheid. En over mijn werk, want laten we niet vergeten waarom ik hier ben!

Geplaatst door Nora Marie 22:47 Reacties (3)

(Berichten 1 - 5 uit 5) Pagina [1]