Hebron
14.12.2009
Na een korte stilte in blogland, weer een berichtje van mij. Allereerst omdat ik helemaal terug moet komen op mijn eerdere conclusie dat Ramallah wel interessant is, maar dan hooguit voor twee maanden. Nu de eerste anderhalve maand erop zitten en het einde van mijn verblijf met rasse schreden nadert, blijkt Ramallah leuker dan ik ook had kunnen bedenken. En dan niet zozeer de stad als wel de mensen die ik hier ben tegengekomen (en toegegeven, die je de hele tijd blijft tegenkomen, omdat de stad (waarmee ze hier het stadscentrum bedoelen) zo klein is, waardoor het toch ook wel weer een beetje aan de stad ligt). Hoewel het af en toe een beetje zuur is om een huis te delen met twee stelletjes (Joe en Sirine ‘kennen’ jullie al, maar nu wonen ook Wafa – mijn Palestijnse collega die zo gek als een deur is – en Julian – haar Duitse vriend – hier) is het tegelijkertijd gezelliger dan ooit. Dan komt ook omdat het ondertussen zo koud is dat we met ons sneue gaskacheltje ons enorme appartement niet warm krijgen en we ons daarom maar in de keuken verschanst hebben. Die keuken is niet bijzonder groot – al helemaal niet met de bank die we erin hebben gewurmt – maar nu dus wel heel warm en knus en vaak het toneel van hilarische situaties. Zoals Wafa die al Cat Stevens’ playbackend kerstkoekjes staat te bakken op een stoel (ze is erg klein en dat is een issue). Of Sirine die met haar tamboerijn demonstratieritmes oefent. Of Wafa en Julian die van kleding hebben gewisseld (wat nog grappiger is als je weet dat Wafa niet alleen erg klein is, maar Julian vooral enorm lang). Of ellenlange discussies over plastische chirurgie en het nut dan wel gevaar van legers en gevangenissen. Ik voel me wel thuis hier.
Wat ook helpt is dat Ramallah het feestbeest in me wakker heeft gemaakt. De gasten van mijn werk weten elke donderdagavond wel een ander feestje te vinden. Het begon in Zan, een ietwat foute (de Hermes Houseband werd niet geschuwd), maar daardoor erg leuke, disco waar ik ook Ylva tegenkwam (oud MAgenote). Het niveau van de avond werd wel duidelijk toen we werden gecomplimenteerd met onze Arabische danstalenten (hoewel we maar niet zijn ingegaan op het aanbod om op een privéfeestje te komen dansen) en toen ik even later gebeld werd door een vriend of ik hem niet even ‘bij de ingang op kon halen, want zonder vrouwen in zijn escorte werd ie niet binnengelaten.’ Desalniettemin een hilarische avond, vooral toen we op weg naar huis in de auto van een vriendin van Ylva ik precies de weg naar huis wist in dat kleine Ramallah, wat voelde ik me ‘local’. De week daarop was het meer classy in LaVie waar een geweldige live jazzband speelde die mensen de tafels op kreeg (en de dansvloer die pas tot stand kwam nadat diezelfde tafels weg waren gewerkt) en waar ik zo opeens Andrea tegenkwam. In wiens auto we vervolgens naar het GrandPark hotel reden omdat daar een feestje zou zijn. Dat was er ook, maar dan wel privé – een Duits meisje had het geloof ik afgehuurd om haar afscheidsfeestje te geven – waarna al snel duidelijk was dat, in de woorden van Nidal ‘privé erg relatief is als je blonde (Westerse) mensen bij je hebt’. Hoe dan ook was het een doorslaand succes, onder andere omdat ze niet vies waren van wat Franz Ferdinand en rock ’n roll.
Maar, ik heb het al eerder geschreven maar nog nooit zo ondervonden, Ramallah is wel een eilandje. Een eilandje waar je niet zo veel merkt van de echte problemen van veel Palestijnen. Die merk je wel in Hebron, waar Shoruq vandaan komt. Afgelopen zaterdag nam ze ons mee en dat was een behoorlijk heftige gebeurtenis. Het begon al interessant in de taxi waar Jenny en ik ons eerst heel erg irriteerden aan een enorm luid en lang bellende mevrouw. Tot Sirine op een gegeven moment vertelde dat de vrouw belde met een vriend in Gaza die ze probeerde te overtuigen van het feit dat hij moest proberen haar zoon weg te houden van de tunnels in het grensgebied met Gaza – waar Egypte op dit moment een muur schijnt te bouwen en een arrestatiegolf schijnt uit te voeren – omdat ze bang was dat hij (de jongen was dertien) anders opgepakt zou worden door de grenspolitie. En dan zijn de krantenkoppen opeens heel dichtbij.
Eenmaal in Hebron leek de stad eerste instantie in alles op de gemiddelde Arabische stad die ik ben tegengekomen: veel taxi’s, veel falafel, veel mannen, veel schoenenwinkels. Maar toen we de oude stad inliepen, onderging het een metamorfose. Het begon met een overdekking van gaas en zeil over de souq. Toen ik vroeg waar dat voor was, werd me bijna tussen neus en lippen verteld dat dat was om de Palestijnse winkeliers en winkelaars te beschermen voor de kolonisten die via de bovenwoningen – waar ze vaak wonen – of via de daken afval, kokende olie en meubels naar beneden gooien. Waarom? De Palestijnen hebben het ze vast niet gevraagd, maar denken het antwoord te weten: om de hen het leven, of tenminste het werken in dit deel van de stad, onmogelijk te maken. Wat behoorlijk effectief is, want naarmate we verder de oude stad inliepen, werden de steegjes en pleinen leger (en geloof me, dat voelt als een contradictio in terminis, een lege Arabische stad). Totdat we in het centrum kwamen waar – midden in de stad – een Israëlische nederzetting was. Met muren en prikkeldraad en scherpschutterstorens hebben de kolonisten een veroverd gebied afgebakend waarin de oude Palestijnse school nu een synagoge is en waarin de Palestijnse huizen nu Israëlisch zijn. En vanuit daar wordt een van dak-tot-dak offensief gevoerd. Op het dak van een van de weinige huizen in dat gebied die nog steeds in handen van Palestijnse eigenaren zijn, keken we uit over verschillende omringende daken waarop Israëlische vlaggen wapperden en werd ons uitgelegd dat kolonisten elke week wel een poging deden om hun huis af te pakken. Door middel van brandstichting of door middel van het fysiek verwijderen van de bewoners. Omdat de Israëlische staat en dus het Israëlische leger officieel tegen de nederzettingenpolitiek zijn, is er een soldatenpost op het dak naast dat van onze gids gestationeerd die de kolonisten moet tegenhouden als ze hun nederzetting verder willen uitbreiden. In de praktijk kijken die soldaten op zijn best de andere kant op en helpen ze op zijn ergst de kolonisten actief mee. Ik snap nog steeds niet precies hoe die mensen erin slagen om hun huis te behouden (want wat kan je doen als gewapende mannen via het dak je huis belagen), maar een deel van hun standvastigheid is te danken aan het feit dat er regelmatig buitenlanders in hun huis slapen om te zorgen dat het Israëlische leger ten minste weet dat er iemand (alleen een niet-Palestijn telt als iemand hier) meekijkt wat er vaak voor zorgt dat zij hun taak wel doen en de kolonisten in toom houden. Wat het nut van mijn verblijf en onderzoek in Ramallah even in perspectief zet.
Maar dan zijn er altijd nog andere strategieën, zoals een aardige souvenirmeneer uitlegde die ons vertelde dat hij in een voor de kolonisten erg strategische plek woont en dat ze dat uitdrukken in verschillende boden op zijn huis, die begonnen bij tienduizend dollar en nu op meerdere miljoenen staan. Ik moet bekennen dat ik hem vanaf toen zag als een held: een man die tegen de klippen op een souvenirswinkeltje runt in een straat waar meer kolonisten dan toeristen rondlopen en vervolgens een verschillende keren een aanbod afslaat dat hem en zijn familie de rest van hun leven in weelde had kunnen laten leven (wetende dat er een moment kan komen dat de kolonisten genoeg krijgen van het geld bieden en alsnog overgaan tot geweld om hem uit zijn huis te verdrijven en hem zonder woning of geld op straat zetten).
In zijn winkel raakten we, of beter gezegd Sirine, ook in gesprek met een van de Israëlische soldaten die de checkpoints die de ingang van de nederzetting markeren bemanden. Het was een heel interessant gesprek omdat de man geen joodse Israëliër was, maar een druus, een Arabische Israëliër. Toen Sirine hem vroeg waarom hij er voor koos om in het Israëlische leger te dienen – en dan ook nog op de West Bank – om andere Arabieren te onderdrukken, bleek dat hij de situatie ook niet alles vond (en er erg van baalde als de andere soldaten zich misdroegen), maar dat het een lucratieve carrière was en dat Arabieren en Arabieren twee dingen zijn (hij bedoelde, denk ik, dat druzen en moslims twee dingen zijn). Wat even buiten beschouwen laat dat je ook als ‘niet-Arabier’ geraakt kan worden door het leed van ‘Arabieren’, maar dat terzijde. Het was een heftige discussie en toen hij ons aan het einde de hand wilde schudden, stemden wij hier twijfelend mee in (beleefdheid won het van principes), maar weigerde Shoruq. Je kon zien dat het de man pijn deed dat zij hem zo veroordeelde, maar Shoruq legde uit dat zij niet per se en probleem zou hebben de hand te schudden van een Israëliër na een interessante discussie, ‘maar iemand die ervoor kiest te dienen in een leger dat ons onderdrukt, op een plek waar die onderdrukking op zijn hevigst is, omdat dat brood op de plank brengt, is niet mijn vriend en krijgt niet mijn respect en ook niet mijn handdruk.’ De eigenaar van de winkel (die zelf overigens wel vriendschappelijk met onze druzische Israëliër omging en verklaarde dat het best een toffe gast was en minder vervelend dan de meeste soldaten die er rondliepen) was danig onder de indruk en verklaarde dat als hij een zoon had gehad hij Shoruq niet had laten gaan voordat die zoon haar hand wél had gekregen. Later vertelde Shoruq dat haar broer in een Israëlische gevangenis zit, wat de situatie voor haar nog persoonlijker maakt.
Sowieso was het bijzonder om met Shoruq daar rond te lopen, want je krijgt een ander beeld van zowel de stad zelf – door wat zij weet te vertellen – als van de bezetting – want reken maar dat Israëlische soldaten een Palestijnse anders benaderen dan een groepje toeristen. Toen we het bezette gedeelte weer uitliepen werden we teruggefloten en moest Shoruq haar identiteitsbewijs laten zien en toen we stopten om dat te laten zien, werd ons vervolgens zonder een blik in onze richting toegesnauwd dat we door moesten lopen en niet moesten blijven hangen. Maar ook tussen toeristen wordt een onderscheid gemaakt. Toen we de Ibrahimi Moskee wilden bezoeken werd ons verteld dat dat niet kon, omdat het gebedstijd was voor de moslims en wij gaan moslims zijn. Prima. Alleen was het pas over een half uur gebedstijd en hadden wij maar tien minuten nodig. Helaas hadden de Israëlische soldaten die het checkpoint hier regeerden daar geen boodschap aan. Die boodschap hadden ze even later wel toen een groep Amerikaanse (misschien zionistische, in ieder geval door soldaten begeleide) toeristen naar binnen wilde: dat was geen probleem. Toen we anderhalf uur later terugkwamen, mochten we wel naar binnen – maar niet voordat we ons aangeschafte aardewerk weer terug hadden gebracht naar het winkeltje waar we het hadden gekocht met het verzoek er even op te passen, want onze souvenirs mochten we niet mee naar binnen nemen (Waarom? Daarom!). De moskee zelf is beroemd als de laatste rustplaats van Ibrahim/Abraham, maar nog meer als de plek waar de kolonist Baruch Goldstein in 1994 bijna dertig mensen doodde en er nog veel meer verwonde. Een gebeurtenis die een situatie illustreert die zo gespannen en pijnlijk is dat zelfs de Lonely Planet, die gewoonlijk erg goed is in het negeren van de Palestijnse gebieden en perspectieven, er geen doekjes om windt:
Each armed settler in the Old City is protected by as many as four armed soldiers stationed on rooftops and street corners, emboldening the 600 Jews there to parade in the streets chanting anti-Arab ditties and wielding guns. Clashes break out between settlers and soldiers regularly. As proof of the unusual radicalism of these settlers, there is a memorial tribute to Brooklyn-born physician Baruch Goldstein who, on the Jewish holiday of Purim during the Muslim holy month of Ramadan in 1994, sprayed Palestinians with bullets while they prayed in the mosque.
Jammer genoeg zijn er ook hele vervelende Palestijnen (net zoals er vast hele lieve en leuke Israëliërs zijn, maar die kom je in de West Bank niet tegen). Zoals de jongen die ons maar bleef achtervolgen door de stad, ons constant toeroepend dat we ook iets van hem moesten kopen omdat we anders discrimineerden en omdat hij zieliger was dan degene van wie we eerder onze souvenirs hadden gekocht en dat we egocentrisch waren als we dat niet deden en dat we parasieten waren als we zijn sleutelhanger niet kochten. En belachelijk als het is, ergens raakt het je dan opeens wel, na een dag vol ervaringen zoals ik hierboven beschreven heb.
En toen, als klap op de vuurpijl, werd ons busje op de terugweg ook nog eens gestopt bij een checkpoint, want problematisch was omdat Shoruq haar identiteitsbewijs niet bij zich had. Uiteindelijk bleek er ergens een computersysteem waarin de soldaten konden opzoeken dat ze geen terrorist was. Een van hen was daar niet zo van overtuigd en vond ook mij verdacht aangezien hij maar bleef vragen of ik Bin Laden kende. Toen ik hem er eindelijk van had overtuigd dat dat niet het geval was, maar dat mocht ik hem ooit tegenkomen, ik zijn nummer zou vragen, vroeg hij me of ik dan fan was van Bin Laden, of Bin Laden een ‘goede man’ was? Ik vond van niet, maar mijn antwoord op zijn ‘waarom niet’, namelijk dat ik niet van mensen hou die andere mensen doden, viel niet in erg goede aarde. En opeens is het dan niet meer zo grappig, als iemand met een enorm geweer rondjes om je busje loopt met je paspoort in zijn hand en dat ie dat paspoort (Sanne weet welke hechte relatie ik in den vreemde met mijn paspoort heb) niet wil teruggeven. Natuurlijk weet je wel dat er niet echt iets gaat gebeuren (een wetenschap die meet afhangt van de kleur van het betreffende paspoort dan van de discipline en controle van de betreffende soldaat, heb je soms het gevoel), maar ik kreeg even een voorbeeld van hoe machteloos je je voelt als iemand kan doen en zeggen wat hij wil en je je maar in moet houden omdat hij alle troeven in handen heeft en jij geen. Tijdens de hele dag voelde ik me zo boos en agressief en verdrietig en gefrustreerd dat het moeilijk onder woorden te brengen is, al helemaal wetende dat het mij allemaal niet eens echt aangaat en dat de mensen die het wel aangaat zich die emoties op een gegeven moment niet meer kunnen veroorloven als ze nooit iets opleveren. Ik heb echter een poging gewaagd hier toch een beeld te schetsen van wat ik zag en hoorde en wat dat met me deed.
Mijn volgende blog zal hopelijk weer wat luchtiger zijn.
Geplaatst door Nora Marie 1:07 Reacties (2)